Twee volslagen vreemden

“Lekker weer, hè?” Twee blauwe ogen kijken me vriendelijk aan. De rimpels in het gezicht van de man vormen een beleefde glimlach. Ik mompel iets bevestigends terug.

“Gaat u voorlezen?” Even ben ik van mijn apropos gebracht, dan bedenk ik me dat ik een tas draag van de VoorleesExpress. Ik leg uit dat ik eens in de week voorlees bij kinderen met een taalachterstand, maar dat ik nu in het park ben om van de zon te genieten.

Dit is normaal gesproken het punt waarop dit soort ‘beleefdheidsgesprekjes’ ten einde komen. Dit is het moment om elkaar een prettige dag te wensen en met een vriendelijk knikje door te lopen. Maar daar denkt de grijze meneer heel anders over.

In gedachten verzonken begint hij te vertellen, alsof hij niet tegen mij praat maar tegen zichzelf, over hoe het leven onze tijd opslokt en hoe heerlijk het is om nu op dit bankje te zitten in het prachtige park en niets te hoeven. Hoe dat tegelijkertijd soms moeilijk is. Niet meer te hoeven werken, je nutteloos voelen, opnieuw moeten leren omgaan met echte rust. Gek eigenlijk. Als we druk zijn verlangen we naar vrije tijd, maar zodra we er teveel van hebben worden we er juist onrustig van.

Ik vraag of ik naast hem mag zitten. Met een zwierig gebaar schuift hij een stukje op. “Natuurlijk, neem mij niet kwalijk.” Het voelt een beetje ongemakkelijk, zo naast een vreemde op het bankje, maar ik werd moe van het staan. Ik vraag naar zijn vrouw, naar zijn kinderen.

“Mijn vrouw heeft een nierziekte,” vertelt hij. “Het zit in de familie. Een van mijn zoons heeft hetzelfde.” De man staart voor zich uit. “Mijn vrouw moest een nieuwe nier hebben. Duurt eeuwen hoor, voordat je aan de beurt bent op zo’n wachtlijst.” Het is even stil. “Toen belde haar zusje op. Zij wilde haar nier aan mijn vrouw schenken.” Hij heeft hoorbaar een brok in zijn keel.

“Wat ontzettend mooi,” zeg ik. We zijn beiden stil. Ik realiseer me ineens hoe bijzonder het is dat een willekeurige onbekende zulke persoonlijke dingen met me deelt. Dat deze 80-jarige man over zijn leven wil vertellen aan een jonge vrouw als ik. Ik voel me vereerd. Ik vraag of ik voor hem mag bidden. Dat mag.

Het is een kort gebed. Geen moeilijke woorden, geen spectaculair verhaal. Het is vooral een dankzegging voor dit soort mooie, onvoorspelbare ontmoetingen. Daarna sta ik op. We geven elkaar een hand. Hij heeft tranen in zijn ogen en ik voel me diep gelukkig. Hij gaat zijn weg en ik de mijne, beiden weer ietsje rijker. Twee volslagen vreemden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.