COLUMN: Ik ben een monster

Ik zit in een ietwat louche kebabzaak. Het is er smerig. Er ligt zoveel restafval op de grond, dat ik ter plekke mijn eigen kapsalon samen zou kunnen stellen. Uit de krakende speakers schalt een gare Arabische Top 40 hit. Mijn broodje shoarma kijkt me al enkele minuten schaapachtig aan, vragend wanneer ik mijn tanden in zijn melige ruggetje zal zetten. Hij zal nog even moeten wachten.

Enkele minuten geleden heeft een chique geklede man de eettent betreden. Hij draagt een bolhoed, een donkerpaarse bril met bijpassend montuur en een vaalgele broek; dat soort volk. Zijn verlopen gezicht met bijpassende wallen verraden zijn gepensioneerde leeftijd. Het is een man van statuur; hoogstwaarschijnlijk heeft hij in het bankwezen of in de advocatuur gezeten en slijt hij nu zijn laatste dagen bij de Rotaryclub. De man intrigeert me.

Ik vraag me af wat hij hier komt doen. Dit is geen plek voor de elite. Hier wordt gegeten, gevreten zelfs, en niet over hypotheekrenteaftrek gediscussieerd. Het kan bijna niet anders of de beste man is overvallen door een plotselinge hongeraanval, anders zou hij zich momenteel ongetwijfeld verzadigd hebben met gefileerde nijlpaardenbillen. In plaats daarvan staat de man op het punt zijn netjes geschoren hoofd vol te proppen met poepbacterievlees. Goedkope zooi, waar je alleen voor kiest als je maag je brein met een koelbloedig headshot heeft verpulverd. Zoals mij vrijwel wekelijks overkomt, maar niet deze man, dat gaat er bij mij niet in. Of toch wel?

Het moet ongeveer tien jaar geleden geweest zijn, ik denk dat ik in de tweede klas zat. Mijn geschiedenisdocent had het over de razzia’s, over Joden die bij bosjes waren vergast en Duitsers die er grijnzend naar stonden te kijken. Ik kon niet geloven dat de mens tot zoiets in staat was. Ik hield mezelf voor dat dit alleen Duitsers kon overkomen, gemakshalve verdringend dat ikzelf ook over een licht vleugje Duits bloed beschik. Of misschien hadden de nazi’s gewoon geen ouderliefde gehad of waren ze -net als ik- een keertje gedumpt in de brugklas en was dit hun manier om het te verwerken. Allerlei redenen passeerden de revue, maar geen enkele van hen stilde mijn innerlijke onrust. De mens was tot zoiets in staat en ik behoorde tot datzelfde ras. Die gedachte bleef me maar achtervolgen en beangstigde me.

Misschien waren die monsters onder mijn bed inderdaad een fabeltje en lag het daadwerkelijke monster in mijn bed zelf. Misschien was ik niet de ridder, maar de draak. Ik had me mijn hele leven geïdentificeerd met de held, maar waar was dat op gebaseerd? Wanneer ik in het nauw zou komen, zou ik me dan daadwerkelijk ontpoppen als de held? Of zou ik voor mijn eigen hachje kiezen? De nazi’s kwamen vaak uit doodgewone, degelijke gezinnen en waren op de een of andere manier vatbaar geworden voor de ideeën van Hitler. Het kon dus iedereen overkomen. De melkboer, de bakker, de dokter; niemand was meer veilig. Van binnen bleken ze allemaal hetzelfde te zijn.

Ik staar nog steeds naar de man. Hij heeft zijn bestelling inmiddels afgenomen, en snelt met zijn kluif naar één van de dichtstbijzijnde tafeltjes. Hij zet zijn dienblad neer, vergeet te bidden en zet het op een verlustigd eten. De man werkt als een vraatzuchtig zwijn zijn voedsel weg. Al smakkend en boerend verslindt hij zijn prooi. Zweetdruppels vallen van zijn slapen op zijn bord en zijn voorheen gladde wangen zijn inmiddels volledig besmeurd met een breed palet aan smeuïge sauzen. Hij lijkt het niet eens door te hebben. Deze man lijkt in niets meer op het deftige mannetje dat een half uur eerder de vreetschuur had betreden. De man die zich wellicht ooit stellig had voorgenomen om nog geen pepermuntje in een tent als deze te nuttigen, zit hier nu ongegeneerd te schranzen. Zijn hoed, bril en broek verhullen opeens helemaal niets meer van zijn ware ik. Zijn maag heeft het gewonnen van zijn brein; zijn lust heeft het gewonnen van zijn waardigheid. De man blijkt opeens een doodgewoon mens te zijn, met de honger van een monster.

De man herinnert me aan mijn twijfels van weleer. Ik weet nog steeds niet wie ik ben. Ik weet niet of ik de NSB’er of de verzetsstrijder ben. Wanneer de nood aan de man is, bestaat de kans dat ik zal zwichten. Dat ik tot dingen in staat ben die me vroeger deden sidderen. Want ik ben mens, net zoals de nazi’s dat waren. Ik weet dat het monster in de mens ieder moment, meestal onverwachts, tot leven gewekt kan worden. En dus ga ik het te lijf. Niet door het heldhaftig tegemoet te treden, maar door me bewust te blijven van zijn bestaan. En ondertussen verwacht ik de hulp van boven, waar mijn Ridder woont.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.