COLUMN: De financiële terreur

“Je moet blij zijn met X, de kindjes in Afrika hebben dit helemaal niet,” hoorde ik vroeger altijd in mijn kerk. Ik werd er godsgloeiend geïrriteerd van. Nee, de kindjes in Afrika hadden geen eten. Maar dat ontnam mij mijn recht niet om boos te zijn op de spinazie die ik aan het eten was. Want die arme kindjes in Verweggistan deden me niet zoveel.

Begrijp me niet verkeerd. Ik maak me echt druk om armoede. Vooral wat betreft mezelf. Als je de hele maand lang van water, brood en macaroni moet leven omdat je stufi bijna op is, raakt de maat vrij snel vol.
Pas later, toen ik een paar keer vrijwilligerswerk ging doen voor Compassion en soortgelijke, kon ik een beeld krijgen van de geldnood die sommigen hadden. Ik zou heel graag willen vertellen dat dit mijn leven had veranderd. Misschien had het dit ook een beetje gedaan. Maar indrukken vervagen. Mijn eigen behoeftes zijn elke dag nieuw.

En als ik mijn maandelijkse zakje geld krijg dan gaat er vreugde door mij heen. Er is voedsel, nieuwe kleding en een extra maand studiegarantie. Medelijden heb ik. Genoeg om in mezelf te voorzien. Ook heb ik medelijden voor mijn naasten. Staat iets over in de bijbel (Je weet wel, dat ding dat op tafel ligt in elk lokaal op de CHE. Sommigen lezen dat ding ook nog eens. Kan je het geloven?).

De vraag is alleen hoezeer de arme kindjes in Afrika je naasten zijn. Natuurlijk kunnen dit je naasten worden als je relevant voor ze bent. Maar in je alledaagse leven kom je genoeg mensen tegen voor wie je een naaste kan zijn. Wat ik bedoel te zeggen is dat je niet helemaal naar Afrika hoeft te trekken om wonderen te verrichten – hoewel ik dit zeker kan aanraden – maar het ook kan doen door lief te zijn voor je buurman.

Want die macaroni word ik wel een beetje zat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.