COLUMN: Arie

Bijna 22 jaar geleden ademde ik voor de eerste keer in, nadat ik ontsnapt was aan mijn moeders buik. 67 jaar eerder werd mijn vader geboren als de oudste zoon van een groot boerengezin. Hij kreeg dezelfde naam als ik, Arie.

Ik weet nog goed dat we in september bij de dementie-dokter zaten. Witte muren, een iets te dikke dokter. Terwijl m’n moeder huilde, wilde ik de hersenscans zien. Een sterk vergrote walnoot met donkere vlekken vulde het computerscherm.

Dingen vielen op hun plek, nieuwe vragen kwamen boven drijven. Eén daarvan verwoordde mijn buurvrouw toe ze vertelde dat ik moest gaan nadenken of ik nog zou reanimeren. Ik ben de enige die dat kan hier thuis.

Ik wil daar niet over nadenken. Dus duw ik het weg uit mijn gedachten, doe of het er niet is. Maar het is de realiteit en die kan ik niet veranderen. Dus accepteer ik de regels en speel het spel.

Ik accepteer de boosheid die er soms is. De frustratie van dingen niet meer kunnen. Voor de vijfde keer vertel ik hetzelfde verhaal, beantwoord opnieuw de vraag.

Nog steeds luister ik naar de verhalen die ik al ken. Over vroeger, toen hij nog de baas was in zijn wereld en zijn wil wet was. Nu is die wereld verkruimeld tot de leren stoel in de woonkamer en de plantenbak in de achtertuin. En zelfs daar is hij niet meer de baas.

Al tien keer besloot ik uit huis te gaan. Maar nog steeds woon ik in hetzelfde rijtjeshuis aan de akkerweg in Moerkapelle, waar ik al bijna 22 jaar woon.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.